Ik behoor wellicht tot een generatie die deze tijd op een bijzondere manier ervaart. Opgegroeid in de jaren tachtig en negentig werd ik gevormd door een wereldbeeld dat vandaag niets anders dan fragiel kan worden genoemd. Dat wereldbeeld was uiteraard verre van perfect en ik noem het fragiel omdat het berustte op een aantal impliciete aannames die steeds minder vanzelfsprekend lijken.
De belangrijkste daarvan was misschien wel deze: er bestaat een externe gedeelde werkelijkheid. We kunnen die nooit volledig kennen, maar via wetenschap, journalistiek, debat en rationele argumentatie kunnen we er wel dichter bij komen. Dat was geen naïef geloof in absolute waarheid. Twijfel hoorde erbij. Kritiek hoorde erbij. Wetenschappelijke inzichten konden veranderen, journalisten maakten fouten, experts konden zich vergissen. Maar onder al die onzekerheid lag een fundamenteel vertrouwen. Feiten doen ertoe.
Vandaag kijk ik met stijgende verbazing naar een wereld waarin dat uitgangspunt steeds verder lijkt af te brokkelen. En opvallend genoeg zie ik dat aan beide zijden van het politieke spectrum gebeuren.
Wanneer waarheid plaatsmaakt voor loyaliteit
Aan de rechterzijde is het fenomeen het meest zichtbaar. De afgelopen tien jaar hebben we gezien hoe delen van de Republikeinse Partij in de Verenigde Staten steeds verder verwijderd raakten van een gedeelde feitelijke werkelijkheid. Niet omdat men andere conclusies trok uit dezelfde feiten, maar omdat de feiten zelf steeds vaker onderwerp van strijd werden.
Hannah Arendt formuleerde al voor de Tweede Wereldoorlog een analyse die hier heel bruikbaar blijft. Het doel van propaganda is niet noodzakelijk mensen een andere waarheid te laten geloven. Het kan ook zijn om het geloof in waarheid zelf te ondermijnen. Wanneer alles "fake news" kan zijn, wanneer elke journalist verdacht is, wanneer elke wetenschapper deel uitmaakt van een complot, wanneer elke weerlegging wordt geïnterpreteerd als bewijs dat het establishment bang is, dan verschuift het criterium van waarheid.
Loyaliteit vervangt verificatie. Niet langer: is dit waar? Maar: van wie komt dit?
Wanneer waarheid plaatsmaakt voor perspectief
Aan de linkerzijde verloopt de beweging anders. Daar zie ik invloeden van postmodernisme, constructivisme en identiteitspolitiek. Veel van die stromingen begonnen als een noodzakelijke correctie waar ik jaren enthousiast ben in meegegaan. Wetenschap is niet volledig waardevrij. Geschiedenis wordt geschreven vanuit machtsverhoudingen. Minderheidsstemmen verdienen aandacht.
Maar soms lijkt die correctie door te slaan in een richting waarin objectiviteit zelf verdacht wordt. Dan verschuift het debat van "wat kunnen we weten?" naar "wie heeft het recht om iets te weten?" Of erger nog: "mijn ervaring is even geldig als jouw empirisch bewijs." Voor wie wetenschappelijk is gevormd voelt dat soms alsof de grond onder het debat zelf verdwijnt.
Misschien gaat het niet over links of rechts
Toch denk ik steeds vaker dat we naar het verkeerde kijken. De voorbije jaren werden eindeloze analyses geschreven over populisme, identiteitspolitiek, complottheorieën en polarisering. Maar wat als dat allemaal symptomen zijn? Wat als de echte oorzaak elders ligt?
McLuhan zou vermoedelijk meteen hebben gewezen op het medium zelf. Zijn beroemde inzicht uit Understanding Media (1964) luidde immers niet:
De media beïnvloeden wat we denken.
Maar:
De media veranderen de manier waarop we denken.
En precies dat lijkt vandaag te gebeuren.
Al gaat dat proces langs twee kanten. De communicatiewetenschappen spreken van the mutual shaping of technology and society. We vormen het medium, en het medium vormt ons. Wat aan onze tijd nieuw is, is hoe snel en hoe sluitend die wisselwerking is geworden.
Eerst was het de informatie. Nu is het de aandacht.
In de twintigste eeuw leefden we in een wereld van informatieschaarste. Toegang tot kennis was beperkt. Kranten, televisie, bibliotheken en universiteiten functioneerden als gatekeepers. Vandaag is de schaarste verschoven. Het probleem is niet langer een gebrek aan informatie maar een gebrek aan aandacht.
Vreemd genoeg heb ik die teloorgang lang toegejuicht. Stem voor wie er geen had, toegang tot kennis voor wie buiten de poorten stond. Pas later werd zichtbaar dat aan die opening ook een (stevige) prijs hing.
In een aandachtseconomie worden ideeën niet langer beloond omdat ze waar zijn. Ze worden beloond omdat ze aandacht trekken. Het algoritme heeft geen voorkeur voor wat genuanceerd of zorgvuldig is. Het heeft een voorkeur voor wat verrast, wat raakt, wat verontwaardiging opwekt of een gevoel van identiteit versterkt. De waarheid heeft in die concurrentie geen voordeel meer. Engagement wel.
True Enough bleek nog optimistisch
Jaren geleden las ik True Enough van Farhad Manjoo. Toen het boek verscheen in 2008 leek zijn analyse scherp en zelfs verontrustend. Hij beschreef een wereld van blogs, kabeltelevisie en de eerste filter bubbles. Maar achteraf bekeken bevond hij zich nog aan het begin van de storm. Facebook stond nog in de kinderschoenen, TikTok bestond niet, LLM's bestonden niet. De aanbevelingsalgoritmes die vandaag onze informatieomgeving vormgeven waren toen nog relatief primitief.
Manjoo beschreef een wereld waarin mensen hun eigen waarheid konden kiezen. Wat we vandaag meemaken is fundamenteler. De waarheid wordt niet meer gekozen. Ze wordt gepersonaliseerd door algoritmes.
De obsessie met de manosfeer
Een goed voorbeeld daarvan zie ik in de manier waarop media spreken over de manosfeer. Volgens het dominante verhaal worden jonge mannen geradicaliseerd door figuren als Andrew Tate en allerlei red-pill influencers. Dat fenomeen bestaat zonder twijfel. Maar ik vraag me steeds vaker af of die analyse niet te beperkt is, omdat ze veronderstelt dat de radicalisering vooral een mannelijk en vooral een politiek-rechts probleem is.
Algoritmes zijn ideologisch blind. Ze hebben geen politieke voorkeur. Ze optimaliseren één variabele: betrokkenheid. Daarom lijkt het mij nuttiger om niet over radicalisering te spreken maar over iets dat tegelijk subtieler en universeler is. Micro-radicalisering.
De algoritmische micro-radicalisering van ons allen
Het proces verloopt bijna onzichtbaar. Je bekijkt één filmpje. Over feminisme, mannelijkheid, veganisme of fotografie. Het maakt strikt genomen niet uit waarover. Het algoritme leert, en serveert een iets scherpere versie. En daarna nog een iets scherpere versie. Het proces speelt zich af over maanden en jaren, niet over dagen of weken.
Wat er gebeurt is geen bekering en geen omslagpunt dat je achteraf kunt aanwijzen. Het is een opeenstapeling van kleine verschuivingen die samen een "wegdrijven" worden naar een nieuwe "realiteit". Iedereen wordt langzaam een iets extremere versie van zichzelf. Niet alleen jonge mannen. Niet alleen conservatieven, niet alleen progressieven. Iedereen.
Mijn eigen algoritmische spiegel
Na mijn scheiding merkte ik dat zelf heel treffend. Plots kreeg ik op Instagram een constante stroom aan content over mannelijkheid, discipline, zelfverbetering, relaties en dating. Tot kant-en-klare maaltijden toe. Niet omdat iemand bij Meta besloot dat ik een bepaalde ideologie moest aanhangen, maar omdat het algoritme een patroon herkende.
Man.
Begin vijftig.
Gescheiden.
Loper.
Geïnteresseerd in persoonlijke ontwikkeling.
Het systeem concludeerde eenvoudigweg dat deze content mijn aandacht vasthield. Een vrouw in een vergelijkbare situatie zou een volledig andere informatiestroom hebben gekregen. Zelfzorg, empowerment, narcistisch misbruik, grenzen stellen, toxic masculinity. Beide gebruikers krijgen vervolgens het gevoel dat ze eindelijk begrijpen hoe de wereld werkelijk in elkaar zit, terwijl ze in werkelijkheid elk een zorgvuldig geoptimaliseerde versie van die wereld voorgeschoteld krijgen.
De nieuwe vraag van onze tijd
Misschien is de centrale vraag van deze eeuw daarom niet langer wat waar is, maar wie bepaalt welke werkelijkheid ik überhaupt te zien krijg.
Dat is een fundamenteel andere vraag. De Verlichting ging ervan uit dat er één werkelijkheid bestond waarover mensen van mening konden verschillen. Vandaag krijgen verschillende mensen letterlijk verschillende werkelijkheden aangeboden. Automatisch, onzichtbaar, op maat.
En dan komen de LLM's
Wat gebeurt er wanneer we deze evolutie combineren met kunstmatige intelligentie? Ik vermoed dat de volgende stap hyperpersonalisatie heet. En dat die hyperpersonalisatie de fragmentatie niet vervangt maar versterkt.
Zijn we morgen allemaal de Jonagold-man die alleen nog vrede vindt in zichzelf?
Vandaag hebben we allemaal een eigen feed. Morgen hebben we allemaal een eigen AI. Een assistent die onze voorkeuren kent, onze waarden, onze gevoeligheden. Wat we doorlezen en wat we wegklikken. Na verloop van tijd zal die AI ons beter kennen dan eender welke journalist, politicus of leraar.
En dan ontstaat een cruciale keuze. Wordt die AI een bevestigingsmachine? Een systeem dat voortdurend zegt: je hebt gelijk, hier zijn nog tien argumenten die jouw standpunt ondersteunen. Of wordt het een intellectuele sparringpartner? Een digitale Socrates die zegt: interessant, zal ik ook tonen hoe een conservatief, een marxist, een feminist, een libertariër of een cognitief psycholoog hiernaar kijkt?
Die keuze lijkt mij bepalend voor de toekomst van onze democratieën.
Wanneer AI een gezicht krijgt
De komst van humanoïde robots maakt dat vraagstuk nog groter. Mensen zijn geëvolueerd om vertrouwen te hechten aan gezichten, aan stemmen, aan aanwezigheid. Wanneer een AI niet langer op een scherm leeft maar naast ons zit, met ons praat, naar ons luistert en ons begrijpt, dan verschuift mogelijk ook de plaats van autoriteit.
Eeuwenlang haalden mensen hun wereldbeeld uit hun familie, hun onderwijs, hun religie, de wetenschap of de journalistiek. Morgen zou dat heel goed kunnen worden:
Mijn AI zegt dat...
Dat zou een historische breuk betekenen, groter nog dan sociale media.
De echte strijd
Misschien zal de belangrijkste strijd van de komende tien jaar daarom niet gaan tussen links en rechts. Niet tussen progressief en conservatief. Zelfs niet tussen waarheid en leugen. Maar tussen twee soorten kunstmatige intelligentie.
Aan de ene kant de AI die comfort maximaliseert. Die bevestigt wat je al gelooft, die engagement genereert, die je overtuigingen geduldig versterkt. Aan de andere kant de AI die inzicht maximaliseert. Die nuance toelaat. Die soms ongemakkelijke tegenargumenten serveert en op die manier de epistemische diversiteit bewaakt waar de Verlichting op rustte.
De vraag is uiteindelijk een eenvoudige. Wordt AI onze persoonlijke priester? Of onze persoonlijke filosoof?
Van het antwoord op die vraag zal wellicht afhangen of het project van de Verlichting een tijdelijke episode in de geschiedenis was, of een idee dat zich weet te heruitvinden in het tijdperk van algoritmes, LLM's en humanoïdes.