Klimt AI mee naar boven?
De discussies over AI's impact op de samenleving doen me soms denken aan twee mensen die naar hetzelfde landschap kijken, maar niet naar hetzelfde tijdperk.
Aan de ene kant staat de visie die econoom Gert Peersman recent verwoordde in een interview in De Morgen (30/5). AI past volgens hem in een lange historische traditie van technologische vooruitgang. Nieuwe technologie verhoogt de productiviteit, maakt bepaalde taken overbodig en creëert tegelijk nieuwe economische activiteit. Zoals eerdere innovaties uiteindelijk meer welvaart en nieuwe jobs opleverden, zal ook AI volgens deze redenering vooral een hulpmiddel zijn dat mensen ondersteunt om sneller, beter en goedkoper te werken. De geschiedenis leert immers dat menselijke creativiteit zich telkens opnieuw aanpast aan technologische verandering.
Daartegenover staat de lezing die ik de dag ervoor las in de AI Mindset-nieuwsbrief van Conor Grennan (29/5). Hij vertrekt vanuit een fundamenteel andere vraag: wat als AI niet zomaar de volgende technologie is in een bekende reeks? Wat als de vergelijking met de stoommachine, elektriciteit of het internet ons juist op het verkeerde been zet? Volgens deze visie automatiseert AI niet alleen fysieke arbeid of routinematig kenniswerk, maar begeeft ze zich steeds nadrukkelijker op domeinen die we traditioneel als typisch menselijk beschouwen: redeneren, schrijven, analyseren, plannen en creëren. Daardoor is het veel minder vanzelfsprekend dat historische innovatie en productiviteitspatronen zich zomaar opnieuw zullen herhalen.
Het is een vraag die me al heel lang bezig houdt.
De geschiedenis van technologie is immers voor een groot stuk de geschiedenis van menselijke emancipatie. Machines namen het zware fysieke werk over, waardoor mensen zich konden toeleggen op denken. Software automatiseerde routinewerk, waardoor mensen zich konden richten op kenniswerk. Telkens opnieuw verhuisde de mens een verdieping hoger.
Maar wat als AI mee naar boven klimt, tot op de bovenste verdieping? Dat is de kern van het debat. Het doet me denken aan een nachtmerrie waaruit ik (gelukkig) ooit ontwaakte. In mijn droom deelden we allemaal dezelfde jobtitel: robot consultants.
Niet of AI een vertaling kan maken, een e-mail kan schrijven of een computerprogramma kan genereren. Dat kan ze allang. De vraag is wat er gebeurt wanneer cognitieve taken die we lange tijd als exclusief menselijk beschouwden, zoals analyseren, samenvatten, argumenteren, ontwerpen of artistiek creëren, steeds minder exclusief worden.
De klassieke economische reflex luidt dan: er zullen wel nieuwe jobs ontstaan. Misschien. Maar zijn die er dan nog? En dewelke?
Daar begint de vergelijking met eerdere technologische revoluties te wringen. Een tractor verving spierkracht. Een computer verving administratief werk. AI begeeft zich op terrein dat veel dichter aanleunt bij menselijke cognitie. We beschikken eenvoudigweg niet over historische voorbeelden van een digitale actor die schrijft, redeneert, programmeert, onderzoekt, adviseert en communiceert.
Dat betekent niet dat de doemdenkers gelijk hebben. Wel dat de optimisten soms iets te snel naar het verleden kijken voor antwoorden. Tegelijk zie ik dagelijks hoe futiel veel van het publieke debat is geworden. Mensen discussiëren eindeloos over prompts, over welke chatbot beter is, over welke functie binnenkort verdwijnt. Alsof de toekomst van werk beslist zal worden door individuele gebruikers die beter leren typen tegen een taalmodel.
Dat lijkt mij de verkeerde discussie. De echte verandering speelt zich niet af op het niveau van het individu. Ze speelt zich af op het niveau van systemen. Een docent die met AI sneller feedback geeft, is interessant. Maar veel interessanter is de vraag waarom feedback er überhaupt nog uitziet zoals vandaag.
Een programmeur wordt dankzij AI dubbel zo productief. Indrukwekkend, ja, tot je je realiseert dat softwareteams nog altijd georganiseerd zijn alsof die productiviteitswinst niet bestaat. Een jurist die documenten in een fractie van de tijd analyseert is nuttig. Maar wat gebeurt er met de structuur van een advocatenkantoor wanneer een aanzienlijk deel van dat werk vrijwel onmiddellijk beschikbaar wordt?
AI is geen tool-vraagstuk. Het is een organisatievraagstuk, een onderwijsvraagstuk, een managementvraagstuk. Misschien zelfs een beschavingsvraagstuk. Daarom ben ik tegelijk optimistisch en ongerust.
Optimistisch omdat de drempel om met AI te werken historisch laag is. Je hoeft geen programmeur of ingenieur te zijn, geen jarenlange opleiding te volgen. Je praat met een machine zoals je met een collega praat.
Maar ook ongerust, omdat veel organisaties nog steeds functioneren alsof deze ontwikkeling niet bestaat. Ze digitaliseren bestaande processen terwijl de fundamentele vraag zou moeten zijn of die processen überhaupt nog zinvol zijn. Dat geldt voor bedrijven en scholen, voor universiteiten en overheden, voor kenniswerkers zoals ikzelf.
Misschien zullen de grote winnaars van de komende tien jaar niet de mensen zijn die AI het best gebruiken, maar de mensen die het best begrijpen welke aannames over werk, leren, expertise en organisaties plots ter discussie staan.
Toch denk ik dat er in veel gesprekken over AI nog een derde perspectief ontbreekt. De hoofdredacteur van De Morgen, Remy Amkreutz, formuleerde het treffend naar aanleiding van het Peersman-interview. Zelfs als AI steeds beter wordt in cognitieve taken, betekent dat niet noodzakelijk dat menselijke waarde verdwijnt. Integendeel.
Economieën draaien immers niet uitsluitend rond efficiëntie. Mensen betalen niet alleen voor een resultaat, maar ook voor vertrouwen, voor aandacht, voor verbondenheid en betekenis. Naarmate technologie meer taken automatiseert, kan precies dat menselijke aspect belangrijker worden.
Misschien is dat wel de paradox van AI. Hoe beter machines worden in het produceren van teksten, beelden, analyses en adviezen, hoe waardevoller sommige typisch menselijke eigenschappen kunnen worden. Niet ondanks AI, maar juist door AI.
Wanneer informatie overvloedig wordt, stijgt de waarde van interpretatie. Naarmate communicatie geautomatiseerd raakt, wint oprechte aandacht aan zeldzaamheid. En in een wereld waar kennis goedkoop is geworden, wordt wijsheid plots schaars.
Dat betekent niet dat kenniswerkers veilig zijn. Integendeel. De druk op vele beroepen zal toenemen, organisaties zullen veranderen, taken verdwijnen, nieuwe rollen ontstaan. Sommige carrières worden grondig hertekend.
Maar het betekent wel dat de toekomst mogelijk niet alleen zal draaien om wat machines kunnen. Ze zal ook draaien om wat mensen opnieuw belangrijk beginnen te vinden. Want dat is uiteindelijk wat AI doet. Ze dwingt ons niet alleen om nieuwe technologie te leren gebruiken, maar ook om opnieuw na te denken over wat menselijke meerwaarde eigenlijk betekent.
Dat lijkt mij een veel interessantere vraag dan de vraag welke jobs zullen verdwijnen. De robot-consultants in mijn droom hielden zich bezig met de kleurtjes en de styling van de robots. Hopelijk wordt het in de toekomst voor ons meer dan dat.